Parijs is terug aan de top. Zo kopte het Franse weekblad ‘Le Point’ afgelopen week in zijn voorbeschouwing van de Foire Internationale d’Art Contemporain (FIAC) die momenteel in de hoofdstad plaatsvindt.

Met een internationale beurs voor eigentijdse kunst als FIAC, die al sinds 1974 jaarlijks gehouden wordt en in Nederland haar gelijke niet kent, is het bijna verwonderlijk dat Parijs haar toppositie in de eigentijdse kunst in het afgelopen decennium niet wist te behouden. De beurs kende echter diepe dalen en ‘buurstad’ Londen, waar de Frieze Art Fair inmiddels tien keer meer omzet realiseert dan FIAC, streefde Parijs ver voorbij. ‘The Telegraph’ noemde de Franse beurs tien jaar geleden zelfs op sterven na dood, maar durft sinds enige tijd te stellen dat FIAC inhoudelijk ‘de Frieze’ overtreft.

De langetermijnstrategie van FIAC-directeur Jennifer Flay die op het dieptepunt in 2003 aantrad, is effectief gebleken. Zij koos voor kwaliteit boven kwantiteit en reduceerde recentelijk bijvoorbeeld nog het aantal stands in het Grand Palais om ruimte te maken voor substantiëlere presentaties. Daarnaast laat zij de beurs dit jaar letterlijk overvloeien in de stad door een interessant programma ‘hors les murs’ neer te zetten en sinds vorig jaar ook een officiële satellietbeurs (knipogend ‘Officielle’ genoemd) te lanceren voor opkomende kunst.

Het effect op de stad zelf is ongekend. Wie in deze week van oktober Parijs bezoekt, kan niet om de eigentijdse kunst heen. Naast FIAC in het Grand Palais en Officielle in de ‘Docks’, zijn er nog tal van officieuze satellietbeurzen, zoals Slick, Art Élysées en 8e Avenue die elk binnen hun eigen segment hedendaagse kunst presenteren. Boten van Batobus, die normaal gesproken alleen het Louvre, het Musée d’Orsay of de Eifeltoren aandoen, brengen bezoekers nu ook een week lang over de Seine van en naar de diverse beurzen.

Om te concluderen dat FIAC vooral uitstekend werkt als ‘city marketing tool’, doet de beurs echter geen recht. Bijzonder aan het Parijse concept is juist dat eigentijdse kunst van de hoogst mogelijke statuur ook zichtbaar wordt voor wie hier normaal gesproken niet mee in aanraking komt zonder dat de organisatie inhoudelijke concessies doet om dit voor elkaar te krijgen.

De beste galeries wereldwijd zijn vertegenwoordigd in het Grand Palais en alleen de grootste namen uit de eigentijdse kunst vinden op FIAC een plek. Verzamelaars en een serieus in kunst geïnteresseerd publiek vormen de hoofdstroom bezoekers, want de toegangsprijs van 40 euro voor de twee beurzen scheidt het kaf van het koren. Wat overigens niet verhindert dat zelfs met een vooraf gekocht ticket de wachtrij voor de beurs een half uur bedraagt.

Naamloos-1

v.l.n.r. Paul Thorel @ Massimo Minini (Brescia), Ugo Rondinone (in 2016 te zien in Museum Boymans van Beuningen) @ Gladstone Gallery (New York & Brussel) en  Ida Tursic & Wilfried Mille @ o.a. Almine Rech (Parijs & Brussel)

Naast kwaliteit toont FIAC een opvallende diversiteit, waarbinnen alle mogelijke disciplines vertegenwoordigd zijn. Werk van Anish Kapoor, David Hockney, Ai Weiwei en Niele Toroni is in misschien wel iets te veel stands te zien, maar daar staat tegenover dat FIAC ook ruimte biedt aan opkomende galeries met kunstenaars die nog minder bekendheid genieten. In deze sectie – op de helaas wel slecht vindbare eerste ring van het kolossale tentoonstellingsgebouw – staat bijvoorbeeld de enige Nederlandse deelnemer (Ellen de Bruyne Projects uit Amsterdam). In totaal nemen dit jaar 173 galeries deel aan de beurs. De meeste hiervan zijn afkomstig uit Frankrijk zelf (46), maar ook de Verenigde Staten (33), Duitsland (23), het Verenigd Koninkrijk (14), Italië (10) en België (9) zijn goed vertegenwoordigd.

Naamloos-2

v.l.n.r. Françoise Pétrovitch @ Semiose (Parijs), Przemek Pyszczek (voorgrond links) & Michiel Ceulers (achtergrond rechts) @ Nicodim Gallery (Los Angeles) en Janne Räisänen @ Schwarz Contemporary (Berlijn)

Opkomende kunst krijgt in de ‘Docks’, waar de tweede editie van Officielle plaatsvindt, feitelijk meer de aandacht die zij verdient. In de voormalige handelsgebouwen aan de Seine waar nu de ‘Cité de la Mode et du Design’ gevestigd is, presenteren 70 galeries uit 20 landen werk van een nieuwe generatie topkunstenaars. Ook hier wordt Nederland door slechts één stand vertegenwoordigd ( een gezamenlijke presentatie van Stigter van Doesburg en Martin van Zomeren) en zijn de meeste galeries afkomstig uit Frankrijk en de Verenigde Staten.

Officielle ademt een rauwere sfeer en de presentaties zijn minder gelikt dan op FIAC. Toegegeven, de  kwaliteitsverschillen tussen de gepresenteerde werken zijn ook groter, maar de beurs beantwoordt ruimschoots aan haar doel om bezoekers te verrassen en hen interessante kunstenaars te laten ontdekken die nog niet wereldwijd bekend zijn. De organisatie zou wel scherper mogen worden in het weren van galeries die de beurs gebruiken om hun selectie moderne kunst te tonen die (waarschijnlijk) op FIAC geen plek (meer) vond. De datumschilderijen van On Kawara en de optische werken van Norman Zammit vallen bijvoorbeeld te veel uit de toon binnen de actuele tijdsgeest die de gezamenlijke galeries met hun keuzes weten te schetsen.

Hoe en of de Parijse kunstbeurzen volgend jaar het absoluut inspirerende resultaat van deze editie kunnen overtreffen, zal moeten blijken. Wie de wereldtop bijeen wil zien en wil ervaren hoe de internationale eigentijdse kunst zich ontwikkelt, kan Parijs in oktober 2016 hoe dan ook niet links laten liggen.